Bonhoeffercollege bestaat 50 jaar!

Muzikale theatervoorstelling 50-jarig Bonhoeffercollege

Het Castricumse Bonhoeffercollege maakt dit jaar het 50e schooljaar mee. Daarom zijn er de nodige feestelijke activiteiten. Op 19 t/m 23 april trapt Theater Bonhoeffer af met de muzikale theatervoorstelling Be Right Back. De voorstelling gaat over een school die dramatische momenten beleeft zoals een allesverwoestende brand. Dat roept herinneringen op, evenals “de kuil” en de foto’s van het oude Bonhoeffercollege die in de voorstelling voorbij komen!

Tijdens de zoektocht in archieven en gesprekken met oud-leerlingen kwamen mooie anekdotes naar boven. Daar zullen we de komende tijd er een paar van delen. We nodigen anderen ook uit deze te sturen naar e.reijnders@bonhoeffer.nl zodat ‘Bonhoefferianen’ samen herinneringen kunnen ophalen.

 

Eén van de verhalen gaat over docent Jan Knippenberg, die onder andere de wandeltochten naar de Pennines en het Lake District in het noorden van Engeland organiseerde.

Waar andere scholen hun schoolreizen alleen naar de geijkte plaatsen als Londen, Parijs en Berlijn lieten gaan, bood docent geschiedenis (en soms maatschappijleer) Jan Knippenberg als alternatief een zware wandeltocht met bepakking door het natte en mistige gebergte van het noorden van Engeland. De animo daarvoor was onverwacht groot, niet in de laatste plaats omdat je docenten en andere leerlingen tijdens zo’n tocht op een heel andere manier leert kennen en omdat “Knip” zelf meewandelde. En wandelen, dat kon hij.

Jan Knippenberg was naast docent een verwoed ultralangeafstandsloper, die in 1974 van Hoek van Holland in negentien dagen naar Stockholm rende, omgerekend twee marathons per dag. Er is op de website van de NPO nog steeds bij Andere Tijden Sport een mooie uitzending te zien over deze ‘Forrest Gump van Texel’. 

Als leerlingen geen zin hadden in een echte les, was er maar weinig voor nodig om die les in te ruilen voor een sterk verhaal over zijn hardloopavontuur, zoals het ‘rondje IJsselmeer’ van 400 kilometer dat hij in 43 uur liep. Maar de lessen werden ook geregeld onderbroken voor plagerijtjes naar collega-docenten toe. Verzonnen hilarische verhalen die zo absurd waren dat iedereen meteen wist dat ze niet waar konden zijn, maar die uiteindelijk toch de docent in kwestie bereikten. Of het natekenen van docenten op het bord, of hun maniertjes die hij goed had geobserveerd nadoen in de klas. Collega Jeanne Broeze is wel eens zijn lokaal ingestormd om hem boos te sommeren hier eens mee te stoppen, hij had (vanzelfsprekend) haar rug nooit ingezeept in bad. Zo was er geregeld afleiding tijdens zijn lessen, waardoor zijn leerlingen wel eens wat hoofdstukjes achterliepen ten opzichte van klassen van collega’s. Gelukkig bood een open-boek-toets daar altijd uitkomst. Maar leerde je dan niets? Jazeker wel, je leerde ook goed om je heen kijken, relativeren en het leven nemen zoals het komt.

Toen hij in 1984 naar Texel verhuisde bleef hij nog een tijd lesgeven op het Bonhoeffercollege. Hij vertrok dan in de vroege ochtend vanaf Texel hardlopend over het strand vanuit Den Helder naar Castricum. Soms vertrok hij al op zondagavond en wildkampeerde hij in het bos, vaak vergezeld van zijn hond. Zijn hond lag dan overdag stilletjes achter in het klaslokaal maar kreeg geregeld alle aandacht als die weer eens heimelijk een wind had gelaten. Helaas is Jan Knippenberg niet ouder geworden dan 47 jaar, in die te korte tijd rende hij een afstand gelijk aan vijf keer rond de aarde.

Dit is een herinnering van Els Reijnders, die leerling was in de allereerste brugklas B5 schooljaar in het schooljaar 1971-1972. Dat begon op de tijdelijke locatie van het Bonhoeffercollege in de voormalige Maria Gorettischool aan de Dorpsstraat 117 (foto met dank aan Werkgroep Oud-Castricum).

“Als leerlingen van de eerste lichting in 1971 en enige gymnasiumklas, konden we de bovenbouwjaren niet in Castricum volgen. Er waren voor 20 leerlingen nog niet voldoende faciliteiten, helaas. We hadden de keuze om naar het Pius X College (huidige Kennemer College) in Beverwijk te gaan of naar het Murmellius Gymnasium in Alkmaar. De meesten van ons gingen naar het Pius X. Elke dag op de fiets, dat viel niet altijd mee. En op de een of andere manier, hadden we ook altijd tegenwind, zowel ’s morgens heen als ’s middags op de terugweg.

We wilden niet zomaar weggaan, maar onze stempel wel achterlaten. We vatten het plan op om een schilderij te maken als afscheidscadeau aan school. Uren en uren hebben we eraan gewerkt. Eerst het bedenken, dat was de grootste klus. Het moest dan ook een heel symbolisch schilderij worden!

En dat werd het! We begonnen met het schilderen van een pad in 3 verschillende tinten grijs. Dit verbeeldde de 3 onderbouwjaren. Er kwamen kaarsen langs dit pad, symbool voor de docenten die ons enerzijds begeleidden om het pad te volgen naar het eindexamen en anderzijds ons behoedden voor de grote woelige en wijde wereld om ons heen. Door de jaren heen zouden we ons door kennis te vergaren, ontwikkelen en uitgroeien tot volwassen mensen. De plant die er voor hangt, staat voor die groei en de zilveren zon met de warme kleuren er omheen, voor onze toekomst.

Nu ik er zo op terugkijk, vind ik die symboliek echt heel bijzonder. We waren -nog maar- rond de 15 jaar!! Hoe lang en waar het schilderij gehangen heeft, is mij niet bekend. Maar zeker is dat het meegenomen is door de grote brand. Maar gelukkig heb ik de foto nog”

Tegenwoordig is er jaarlijks een Paarse Vrijdag om lhbt+-jongeren een steuntje in de rug te geven, bij Jan Tromp was het hele jaar paars gekleurd. Hij is openlijk gay en was graag bereid om voor jongeren die met hun coming-out worstelden een klankbord te zijn. Toen hij dat actief aanbood in schoolkrant Bonaparte heeft dat nog wel even tot ophef geleid bij ouders die iets minder ruimdenkend waren.

In zijn klaslokaal waren eierdozen op het plafond geplakt voor een betere akoestiek. Aan de muren hingen posters van Frankrijk en jongens in jeans met ontblote bovenlijven. Ook van de knappe Julien Clerc hing een poster aan de wand, want die was fijn om daar naar te luisteren én te kijken. Jan leerde je Frans via de muziek die hij afspeelde op zijn magnétophone, je ging bijvoorbeeld het repertoire van Édith Piaf uitspitten. Je kreeg ook een cassettebandje voor in je walkman en mocht de vertaling dan opschrijven in een rood boekje met op de kaft een getekende motorrijder in zwart leer.

Mentorklassen mochten kamperen bij Jan Tromp en ‘zijn Jan’ in de tuin in Krabbendam aan het Noordhollands Kanaal. Ze hadden daar prachtige zwarte schapen met ronde hoorns. ‘s Ochtends bakten Jan en Jan een heerlijk ontbijt. Wat zij niet wisten was dat leerlingen soms zo hongerig waren omdat zij midden in de nacht het verlaten kanaal hadden overgezwommen en daar in nat ondergoed aan de overkant hadden staan zwaaien naar passerende auto’s op de N9.


(ben je op deze foto i.v.m. AVG nog geblurred en mogen we je wel laten zien, stuur even een berichtje naar administratie@theaterbonhoeffer.nl. Dan krijg je ook de originele foto per mail)

Jan heeft veel humor maar was in de klas soms wel streng. Oud-leerlinge Manon de Vos vertelt: “Wij waren echt gek op Jan en zijn lessen, maar je moest wel onmogelijke zinnen uit je hoofd leren met honderd accenten. En als je er eentje vergat was je een halve punt kwijt, een accent de verkeerde kant op kostte je een hele punt. Ik kan mij nog steeds de zin herinneren die we moesten leren als afsluiting van een formele brief: ‘Dans l’attente de votre réponse je vous prie d’agréer monsieur, mes meilleures salutations’. Tegenwoordig woon ik in Wallonië en weet ik dat je met ‘Bien à vous’ ook prima wegkomt. Je moest er flink wat kennis instampen, tot op de dag van vandaag denk ik als ik qu’est ce que c’est hoor nog steeds ‘wat is dat wat dat is’. Maar het is niet voor niets geweest want ik heb er nog dagelijks lol van.”

Gelukkig had Jan ook handige ezelsbruggetjes voor zijn leerlingen, zoals Kikudonkilukel en zijn befaamde uitspraak ‘kietjes en kutjes’ voor het onderscheid tussen qui en que. Dat schreef hij ook schaamteloos op het bord (zie foto). En dat werkte, want ze zijn het nog steeds niet vergeten!

Dit zijn herinneringen van Marijke Lute, Bonhoefferleerling van 1971 tot 1978 en Bonhoefferdocent van 1999 tot 2018:

In het begin toen het Bonhoeffercollege bestond uit vijf brugklassen, ik heb het over het schooljaar 1971-1972 en ik in B4 zat, was er voor elk vak precies één docent. Iedereen had Engels van mevrouw Rijlaarsdam. Aya heette ze. Dat hoorden we andere docenten tegen haar zeggen. Ik had nog nooit van de naam Aya gehoord en ze had voor mij daarom iets exotisch. Ze leerde ons de vreemde taal die ik alleen kende van de liedjes op de radio die bij mij thuis altijd aan stond. I’m your Venus, dat had ik er ongeveer van onthouden. Mevrouw Rijlaarsdam leerde ons onder andere het woord corned beef goed uit te spreken. Niet op de boerse manier met de klemtoon op de tweede lettergreep, maar corn’d beef!! Toen ik het uitprobeerde bij de slager wist hij niet waar ik het over had.

We kregen Nederlands van rector Kooter. Zo tof dat een schoolleider, zoals dat nu zo mooi heet, ook voor de klás stond. Dingen bedenken en zorgen dat ze gedaan worden en tegelijkertijd doorvoelen hoe zich dat op de werkvloer uitkristalliseert. Dat waren nog eens tijden; een pilot, toen nog een experiment, werd gewoon eigenhandig de nek omgedraaid! Ik had overigens zelf een beetje last van de loensende blik van de rector. Hij kende de namen niet goed en je werd geacht een antwoord te geven op een vraag uit Struikelblokken als hij naar je keek. Maar keek hij wel naar mij? Naast me zat Tiny de Wit die altijd net iets hogere cijfers haalde dan ik. Maar zij gaf geen sjoege dus ik antwoordde dat chrysant met een i gespeld moest worden. Dat wist ik zeker want op het uithangbord van mijn vader die ze aan huis verkocht, stond het ook.

Wiskunde werd eveneens door een schoolleider gegeven: conrector Langhout. Een rijzige man met een soort leeuwenkapsel. Later hoorde ik dat hij een aimabele man was, maar ik was een beetje bang van hem. Dat kwam door die statige krullen aan de zijkant van zijn hoofd, maar het vak wiskunde vreesde ik nog meer en ik ben er nooit goed in geworden. Meneer Langhout verzorgde ook het rooster. Dat was zichtbaar in zijn kamer waar de deur vaak open was. Toen was het rooster nog een overzichtelijke verzameling speldenknopjes op een prikbord. Later werd dat een indrukwekkende landkaart vol kleuren en vakjes. Ik droom er nog weleens van als ik stress heb.

Van de aardrijkskundelessen van meneer Berkhout is me inhoudelijk het meest bijgebleven. Ik maak van een maansikkeltje nog altijd een a of een w om te weten of de maan kleiner of juist groter wordt. En ik herken allerlei soorten wolken: cumulus, cirrus, stratus. Hij liet ons daarvoor heel vaak uit het raam kijken en wat is er fijner dan lekker uit het raam staren en de wolken in allerlei vormen aan je voorbij te zien trekken?

Frans hadden we van meneer Duffhues. Die zag in mij een Frans talent omdat ik de taal zo goed uitsprak. Eigenlijk lag dat aan dezelfde radio die ik al noemde bij het vak Engels. Ik oefende mezelf alleen niet in de woorden maar imiteerde de klanken en zong mee met Édith Piaf. Maar dat ik nergens spijt van had, was absoluut onverstaanbaar. Zijn vrouw, mevrouw Duffhues dus, gaf ons biologie. Het enige wat bij mij hierover komt bovendrijven is dat ze geen kinderen hadden.

Nol van Oss hadden we voor gym. In mijn herinnering had hij toen aan de zijkanten van zijn hoofd lang, krullend haar. Dat drapeerde hij ter camouflage over het minder behaarde deel van de schedel. Niet handig als je voor je vak altijd in beweging bent. Later schoor hij het af en lijkt sindsdien een broer van Ghandi.
Handarbeid (zo heette het vak in die tijd nog) werd gegeven door meneer Weenink. Een opgeruimde man die zelfs mijn misbaksels positief beoordeelde. Ik kom hem nog regelmatig tegen. Hij is geen spat veranderd, ook uiterlijk nauwelijks!

Geschiedenis hadden we van mevrouw Wieringa . Zij kon net als bijna alle geschiedenisdocenten fan-tas-tisch vertellen. Daarbij zag ze er met haar lange, rode krullen oogverblindend uit. Ik herinner me vooral het verhaal over Tantalus uit de Griekse mythologie. Ik heb lang gedacht dat die goden echt bestaan hadden en dat komt echt door haar!

Muziek kregen we van een zeer excentrieke docent: Meneer Klein. Tijdens een legendarische les legde hij met verve uit hoe je je als publiek dient te gedragen bij popconcerten. Hoewel die nog ver in ons verschiet lagen, doceerde hij ons hoe en wanneer te applaudisseren aan de hand van een live uitvoering van Room to move door John Mayall. Ik denk er nog altijd aan als ik bij een muziekoptreden ben.

Ik heb lang nagedacht over wie ons nou in godsnaam godsdienst gaf (het vak heette nog geen levo). Die lessen waren zeker weten een onderdeel van het rooster gezien het oecumenische dna van de school, maar ik herinner me er niets meer van. Ook mijn klasgenoten uit die tijd, al 50 jaar mijn vrienden, hebben geen idee. De levenslessen van de jonge honden die de (veelal langharige en bebaarde) docenten toen waren, koesteren wij echter nog altijd in ons hart. Want het waren lessen die werden gegeven vanuit vrije geesten die autonoom waren en creatief konden zijn. Die neem je mee (om Boudewijn de Groot te citeren) zolang je verder leeft.

Dit zijn herinneringen van Kees Bijman, hij vertoeft al bijna een leven lang op het Bonhoeffercollege. Eerst als leerling en daarna als wiskundedocent. Leerlingen en oud-leerlingen beweren dat hij onwaarschijnlijk goed kan uitleggen. 

“Ik heb als leerling een hele leuke tijd gehad op het Bonhoeffer. Ontzettend veel gelachen, met vrienden en ook met docenten. Het was een beetje mijn tweede huis. Daarom wilde ik ook graag hier komen werken, en ben ik gebleven.

Met vriendjes was ik geregeld aan het klooien in en om de school. Bij de sloot tussen de gymzalen naast het weiland liepen we via een boomstam naar de overkant. De boer was op het land en kon het niet waarderen. Wij vonden het dolkomisch om de boomstam weg te halen terwijl onze vriend Peter H. nog aan de overkant stond. De dichterbij gekomen boer zei niks, maar pakte de niet zo grote Peter bij kop en kont en liet hem boven de sloot in het water vallen. Fantastisch vonden wij dat.

Ik was niet brutaal maar wel vrij met docenten. Met de meeste had ik een goede relatie. Er was ook genoeg tijd om die op te bouwen, aangezien ik twee keer ben blijven zitten.

Mede daardoor had ik een bijzonder ontspannen examenjaar. Het leren had ik al die jaren daarvoor al gedaan, dus ik ervaarde weinig druk. Ik heb echt alleen maar gelachen met vrienden als Lars V. en Marcel K. We hebben bijna geen serieuze dag meegemaakt. Veel ouders, waaronder die van mij, waren niet erg bemoeierig en maakten zich geen zorgen. Zo ook bij Alfred, een vriend van me. Zijn moeder merkte op dat hij steeds zo vroeg thuis kwam. Ze had niet door dat hij examen had gedaan.

Vroeger mochten examenleerlingen de nacht voor de stunt op school “slapen”. Ik was erbij toen ik (weer) in havo4 zat, want ik kende iedereen van dat jaar. Het is toen iets te veel uit de hand gelopen. Niet met mij, uiteraard. Iets met drank… Sindsdien helaas geen overnachtingen meer op school. 

 

Eén van mijn favoriete leraren was Jan Weenink. Kunstenaar en ornitholoog. Tijdens de Texelweek in de tweede klas had hij een bijzondere vogel gespot in de Slufter, een kleine zilverreiger. Ik mocht mee met Jan en de directieleden die die dag op bezoek waren, om de vogel te zoeken. Alle andere leerlingen moesten het eiland rond fietsen. Ik was de enige zonder verrekijker, maar terwijl de mannen eindeloos stonden te speuren, zag ik het beestje gewoon met het blote oog. Begin jaren 80 fietsten we nog zelf naar Texel, in mijn geval door een uren durende stortbui. Een regenbroek was wel mee, maar niet stoer dus eenmaal aangekomen waren er veel blote benen in de tint ziekelijk jeansblauw, en voeten in de kleur van schoenen.

In havo 4 bleef ik weer zitten, maar mijn ouders vonden het niet nodig dat ik wéér op buitenlandse reis ging. Het jaar ervoor ben ik naar Londen geweest. Geweldig. De vrijheid die je daar kreeg ook.

Later heb ik zelf heel lang de Londenreis georganiseerd, en de leerlingen dezelfde vrijheid gegeven om zelf de stad te ontdekken. ‘Hier heb je een metrokaart en we zien elkaar later vanmiddag weer.’

Met geschiedenisdocent Jan Knippenberg ging ik eens mee naar een demonstratie tegen kernwapens. Het was de tijd van waarschuwingen tegen geslachtsziektes. ‘Voorkomen is beter dan genezen’. Op mijn zelfgemaakte spandoek stond een kernkop met druppeltje eraan, om de twee problemen subtiel samen te brengen. Knip hing mijn spandoek op in zijn lokaal, maar dat werd vrij snel verwijderd op last van de directie. Aan hem en Robin Verbeek heb ik veel hilarische herinneringen.

Degene die ervoor gezorgd heeft dat ik wiskunde ging studeren was Henk Rautenberg. In havo 4 stond ik een 3 voor wiskunde, vond het een vreselijk vak. Van Henk heb ik het toen zo goed geleerd dat ik het makkelijk ging vinden, en er zelfs lol in kreeg. De vacature wiskunde op het Bonhoeffer waar ik later op reageerde, was er omdat Henk Rautenberg door omstandigheden uitviel.

Eind jaren zeventig, begin tachtig waren leraren die in de klas rookten een normaal verschijnsel en docenten waren niet altijd van onbesproken gedrag. Er kon toen heel veel. Ik heb nog eens bij een docent thuis een proefwerk ingehaald. Zij deed open in peignoir. Ondenkbaar in deze eeuw.”

In het boek Iedereen Inc. van Jannet Vaessen vonden we onderstaand verhaal uit de jaren ’80, dat veel oud-leerlingen van het Bonhoeffercollege zich zullen kunnen herinneren!

“Toen ik vijftien was verhuisde ik van Eindhoven naar Castricum. Anderhalf uur met de auto, maar voor mij een wereld van verschil. Van een stad naar een dorp, van Noord-Brabant naar Noord-Holland. Het was halverwege het schooljaar, ik werd ontworteld uit het clubje meiden met wie ik was opgegroeid en voelde aan alles  dat de meisjes bij wie ik aankwam hun eigen structuren hadden. Ik stelde me de eerste weken op school heel autonoom op en hield nieuwe contacten trots  af, alsof ik erg druk was. Ik wist niet zo goed hoe ik het moest aanpakken om aansluiting te vinden. Alleen aan mijn blozen kon je merken dat ik eigenlijk gewoon heel verlegen was. Daar maakte een jongen met een grote bek uit mijn klas wat flauwe grappen over, maar verder kwam ik met deze houding goed weg. Ik leek onkwetsbaar, maar ik voelde me natuurlijk ook erg alleen. Ik had het gevoel dat mijn puberteit die groots een meeslepend hoorde te zijn, aan mij voorbijtrok als een wolk loze beloften. Ik schreef op mijn zolderkamer heel wat dagboeken vol en herinner me dit jaar als een vlakke periode.

Er is een moment waarop mijn leven daar als het ware opnieuw begon, waar ik met warmte aan terugdenk. Op die dag stonden de ijsbloemen op de ramen, onze school stond midden in de weilanden en het had meerdere dagen flink gevroren. Alles was wit en er lag ijs op de sloten. Voor maatschappijleer hadden we een jonge vent met lang haar en een baard en dat was toen zeker niet hip. Hij was zijn lesuur deze keer begonnen met een grote stilte. De jongen met de grote bek had net met luide stem geroepen ‘Wij willen ijsvrij!’ en die uitspraak was blijven hangen in de klas. Onze leraar keek lang naar buiten. Toen pakte hij zijn krijtje en richtte hij zich weer tot ons. Als jullie echt ijsvrij willen, dan moeten jullie daar wat voor doen.’ Hij begon te tekenen, een soort organogram. ‘Wie is hier de baas van de school? Juist. De rector. Verwachten jullie dat de rector openstaat voor jullie idee?” De klas schudde massaal het hoofd. ‘Nee, dat denk ik ook niet.’ De rector was een stijve man die vooral door een hoog cijfergemiddelde werd gedreven. ‘Naar wie luistert de rector? Naar de lerarenraad. Zitten daarin de juiste mensen voor jullie ijsvrij-idee?’ Ook deze vraag beantwoordde hijzelf: ‘Nee, zij durven niet tegen de rector in te gaan en zijn vooral bezig om hun eigen positie te versterken.’ Hij keek streng de klas in. ‘Dat is de reden dat jullie de volgende keer dus wél moeten meedoen als er gestemd wordt voor de leerlingenraad,’ zei hij scherp. ‘Dan heb je invloed op het zootje daarboven.

Oké. Dus je kunt je ijsvrij-idee bij niemand van de leiding kwijt…’ Opeens keek hij ons heel geconcentreerd aan: ‘Is dit eigenlijk wel belangrijk genoeg voor jullie? Willen jullie echt ijsvrij?’ De klas joelde. Hij vervolgde: Ja, oké, lekker geen les, maar willen jullie het echt heel graag? Zo van… het kan niet anders dan dat wij vandaag ijsvrij hebben, wij moeten vandaag de schaatsen op?’

Jaaaa,’ gilde de meute, op een paar stille types na, onder wie ik. De gebekte jongen zei plechtig: ‘Het is gewoon maar één keer per jaar dit weer, dan is het toch belachelijk dat wij dan lessen zitten te volgen die op elk ander moment ook kunnen?’ De leraar knikte.

‘Dan zit er niets anders op.’ Iedereen keek hem gespannen aan. ‘.. . Revolutie!’

De klas grinnikte en schuifelde wat. Oude hippie. “Wie van jullie zit er in de feestcommissie en heeft toegang tot de intercom?’ Niemand, helaas. Maar een van mijn klasgenoten wist wel waar de voorzitter van de feestcommissie de sleutel van het hok van de intercom bewaarde. ‘Oké, dan moet jij die sleutel zo gaan pakken. En jij daar, jij lijkt mij best technisch, dan ga jij met hem mee, jullie krijgen die intercom wel aan de praat.’ De twee jongens keken elkaar veelbetekenend aan. ‘En jij gaat ook mee…’ en hij wendde zich met een serieus gezicht tot de jongen met de grote mond, en aan het eind van de kleine pauze roep jij een paar keer luid en duidelijk in de intercom: “Wij nemen ijsvrij! Morgen zijn we er weer!” De klas viel stil. ‘Verder is het heel simpel. Je vraagt zo in de kleine pauze aan iedereen die je kent om de volgende boodschap te verspreiden: “Dit is geheim, geef het door: wij gaan met zijn allen ijsvrij nemen, straks na de oproep op de intercom gaan we met zijn allen tegelijk naar buiten.” WhatsApp bestond nog niet. “Verder hebben we twee mensen nodig die de conciërge afleiden met een lange en moeilijke vraag over een verloren tas of zoiets, dan duikt die het hok in en let hij niet meer op de deur. Wie wil dat doen?’ Een paar meiden staken hun vinger op. ‘En welke tien sterke jongens en meiden gaan bij de hoofdingang alle deuren openzetten en – houden?’ Ook daarvoor meldden zich wat vrijwilligers. 

Hij dacht even na. ‘Wie vindt dit allemaal een beetje spannend en wil de rector liever niet boos maken?” Een verlegen jongen knikte voorzichtig. ‘Dan ga jij aan het eind van de kleine pauze naar de rector toe om hem over deze actie te vertellen. Maar dan wel met zo’n lang en ingewikkeld verhaal dat hij het moment mist om nog in te grijpen. Akkoord?’ Een aantal stille leerlingen bood aan de verlegen jongen bij deze actie te vergezellen. Iedereen was in opperste concentratie. Onze leraar schreef nog een keer het exacte tijdstip van de intercomboodschap en onze geplande uittocht op het bord en veegde de cijfers met een natte spons uit toen de bel de les beeindigde. Met de spons in de hand ging hij bij de deur staan en sprak hij ons voor de laatste keer toe: ‘Het belangrijkste van deze actie is dat we het met zijn allen doen en dat we ons aan één gezamenlijk moment houden.’

Het was alsof ik terugschoot in mijn eigen lichaam. De groep voelde als een geheel en ik was er onderdeel van. Ik weet niet eens meer goed welke rol ikzelf vervulde, welk radartje ik was in dit menselijke systeem van verandering. In elk geval liep ik mee als observator van alle rollen om het nu te kunnen reproduceren. Het liep gesmeerd. De stem van onze aanstichter schalde precies op tijd door de intercom. We verlieten met zijn allen, met flinke pas en zelfverzekerde lach het gebouw. Niemand kreeg straf. De actie was te massaal, we waren simpelweg met te veel en het was niet te traceren wie er precies achter had gezeten. Als de bron van onze maatschappijleraar ooit achterhaald is, heeft hij het vast als ‘praktijkles’ opgevoerd. Geen idee of hij er ooit last van heeft gehad. De rector sprak de dag erna via de intercom wat populair van een ‘geslaagde stunt’ en nam de sleutel van de intercom definitief in.

Zoals mijn maatschappijleraar demonstreerde zijn er twee manieren om voor het belang van jou en je groep op te komen. Evolutie of revolutie. Je zorgt dat degenen die de besluiten nemen jou goed vertegenwoordigen, of je plant een doelgerichte actie. De eerste mogelijkheid is misschien niet zo spectaculair, maar heeft op de lange duur wel de meeste impact. Als je zorgt dat jij goed vertegenwoordigd wordt door degenen die de besluiten nemen in een vereniging, school, straat, bedrijf, organisatie of land, kun je elk punt voor verandering steeds weer opnieuw kwijt bij iemand die er invloed op heeft.”

Uit het boek Iedereen INC. van Jannet Vaessen, hoofdstuk ‘Evolutie of revolutie?’ Hoe in- en uitsluiting werkt en je dat kunt beïnvloeden (Amsterdam, 2017), 183-187. Het boek is verkrijgbaar via Bol.com (ook als e-Book) of te bestellen bij Zakenpaleis Laan in de Burgemeester Mooijstraat.

Deze pagina zal de komende tijd worden aangevuld met nieuwe verhalen!